BHV Rijn-, binnen- en kustvaart

De binnenvaart is een zeer diverse bedrijfstak met een grote verscheidenheid aan soorten schepen, zoals passagiersschepen, tankschepen, werkschepen en patrouillevaartuigen.
Momenteel zijn er in Europa meer dan 37.000 personen werkzaam in de Binnenvaart, waarbij de maritieme toeleveranciers nog niet worden meegerekend. Daarbij vinden we op de schepen een groot aantal nationaliteiten.

Met dergelijke aantallen opvarenden is het economisch belang van deze sector evident groot. Helaas nemen volgens de inspectiediensten het aantal incidenten, aanvaringen in de binnenvaart toe. Incidenten met als gevolg (zwaar-) lichamelijk letsel, en in het beste geval economische schade, zijn helaas geen uitzondering.

Ook voor de Rijn-, Binnen- en Kustvaart, vormen de wettelijke doelvoorschriften in artikel 3 en artikel 15 van de Arbowet, zoals hierboven aangegeven, alsmede diverse artikelen in het Arbobesluit de basis voor BHV. De invulling van deze doelvoorschriften van de Arbowet hebben een nauwe samenhang met andere wettelijke voorschriften die specifiek op de binnenvaart van toepassing zijn en die van invloed kunnen zijn voor een branche-specifieke invulling van de Bedrijfshulpverlening (BHV).

Lid e van artikel 3 van de Arbowet schrijft voor dat doeltreffende maatregelen moeten worden genomen op het gebied van eerste hulp bij ongevallen.

Lid f van artikel 3 van de Arbowet stelt dat de werkgever dusdanige maatregelen moet nemen dat iedere opvarende bij ernstig en onmiddellijk gevaar voor zijn eigen veiligheid of die van anderen, rekening houdend met zijn technische kennis en bekwaamheid en de beschikbare middelen, de nodige passende maatregelen kan nemen om de gevolgen van een dergelijk gevaar te voorkomen. Hierbij dient de opvarende gewezen te worden op het in acht nemen van de eigen veiligheid.

Artikel 15 van de Arbowet is afgestemd op artikel 8 van de EU Richtlijn 89-391-EEG. Belangrijk uitgangspunt bij de aanpassing is dat de werkgever zelf meer ruimte krijgt, en moet nemen, voor de invulling van de organisatie van de bedrijfshulpverlening. Daartoe zijn onder meer de volgende wijzigingen doorgevoerd. ‘Het voorkomen en beperken van ongevallen’’ is gewijzigd in het beperken van de gevolgen van ongevallen, waarbij het voorkomen van ongevallen als taak van de bedrijfshulpverleners is geschrapt.

Aanvullende wettelijke voorschriften zijn te vinden in onderstaande wetten en besluiten:

  • Het Rijnvaartpolitie reglement (RPR, artikel 1.16) kent hiervoor ook voorschriften die de handelingen van de schipper in geval van ongevallen vast leggen.
  • Het Binnenschepenbesluit en de bijbehorende bijlagen geven technische regels voor veiligheidsuitrusting, onderhoud en aanvullende voorzieningen zoals veiligheidsprocedures per scheepstype.
  • Het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn (ROSR) geeft voorschriften aangaande  veiligheidsuitrusting en onderhoud voor schepen met een certificaat van onderzoek. Specifieke doelvoorschriften vindt men in Hoofdstuk 2, afdeling 2, artikelen 2.2 t/m 2.5 van het Arbo-besluit “Aanvullende voorschriften risico-inventarisatie en –evaluatie ter voorkoming en beperking van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen”.

Belangrijke uitzonderingen zijn beschreven in artikel 2.44 van het Arbobesluit. In dit artikel worden de uitzonderingen op de voorschriften van afdeling 2 voor arbeid verricht op een binnenvaartuig beschreven. Hier geldt het principe van voorrang van Lex specialis (speciale wetgeving) boven Lex generalis (algemene wetgeving). Zo is voor vervoer van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren al het ADNR met de specifieke maatregelen en voorzieningen van toepassing. Wel kan de uitkomst van de geëiste maatregelen dienst doen als een basisdocument (input) voor de BHV.

De werkgever (schipper) is in het kader van de Arbowet als eerste verantwoordelijk voor de BHV binnen het bedrijf. Hij dient hierbij rekening te houden met de aanwezigheid van anderen dan de eigen werknemers. Bij het samenwerken met andere bedrijven, bijvoorbeeld bij het overslaan van goederen of tijdens reparatie bij een werfperiode dienen afspraken gemaakt te worden over alarmering en over de praktische inzet van BHV’ers.

BHV is een onderdeel van het arbobeleid en vloeit voort uit de restrisico’s van de branchegerichte RI&E. Door voorzieningen te treffen zoals compartimentering, branddetectie, blusmiddelen en blusinstallaties, brandvertragende materiaal en nooduitgangen die tevens hun grondslag vinden in de vigerende wetgeving voor de binnenvaart kunnen de brand- en ongevalsrisico’s verder worden beperkt. In het verlengde hiervan moet de werkgever (schipper) de opvarenden doeltreffend inlichten over de wijze waarop de voorzieningen zijn ingericht. Om hier invulling aan te geven kan de werkgever (schipper) uitleg geven over de aanwezige veiligheidsmiddelen en het juiste gebruik en de beperkingen hiervan. Aanvullend kan de werkgever informatie geven over de wijze waarop de overige opvarenden en de andere scheepvaart kunnen worden gealarmeerd bij een dergelijk gevaar. BHV completeert het veiligheidsbeleid aan boord van een schip. Ook partijen als verzekeringsmaatschappijen leveren een bijdrage aan het verhogen van de veiligheid op dit vlak aan boord. Door het vrijwillig en kosteloos laten uitvoeren van een schade preventief onderzoek (SPO) waarin de brand en veiligheidstechnische inrichting wordt beoordeeld is inzicht te verkrijgen in de risico’s op het gebied van constructieve veiligheid.

De werkgever (schipper) laat zich ten aanzien van de naleving van de verplichtingen om maatregelen te treffen bijstaan door een of meer werknemers die door hem zijn aangewezen als bedrijfshulpverleners. Het aantal bedrijfshulpverleners dat een werkgever aanwijst hangt samen met de grootte van het bedrijf, het aantal medewerkers en de specifieke risico’s aan boord, en is dus ook een kwestie van maatwerk. Op basis van de gegevens die voortvloeien uit de RI&E zal kenbaar worden hoeveel bedrijfshulpverleners er in een organisatie aan boord moeten worden aangesteld. Er zullen voldoende bedrijfshulpverleners aangewezen en zo nodig opgeleid moeten worden zodat, rekening houdend met ziekte, vakantie of continudienst op elk moment voldoende hulpverleners aan boord aanwezig zijn.

De Arbo-wet vereist dat bedrijfshulpverleners beschikken over een zodanige deskundigheid, ervaring en uitrusting, en zodanig in aantal zijn en zodanig georganiseerd dat zij bij het verlenen van bijstand de genoemde taken naar behoren kunnen vervullen.

Passagiersschepen hebben vanuit het ROSR of vanaf 1 januari 2009 vanuit de Binnenvaartwet volgens het Artikel 15.13 lid 1 t/m 4 de verplichting om de veiligheidsorganisatie goed in te richten.

Om in geval van calamiteiten adequaat te kunnen opereren zal het nodig zijn het kennisniveau van de bedrijfshulpverleners op peil te houden. Dit betekent (afhankelijk van onder meer de complexiteit van de bedrijfsactiviteiten) dat er regelmatig na en/of bijscholing van bedrijfshulpverleners zal moeten plaatsvinden. Ook kunnen de vaardigheden op peil worden gehouden door het regelmatig organiseren van oefeningen aan boord. In de Binnenvaartwet (en onderliggende besluiten en regelingen) zijn regels opgenomen om de veilige vaart van schepen en de goede arbeidsomstandigheden aan boord te bevorderen. De schipper van een vaartuig is verantwoordelijk voor de veiligheid van de bemanningsleden en de opvarenden.
Hij moet er voor zorgen dat de bemanning  voorbereid en getraind is in de bestrijding van calamiteiten aan boord. Dat er voldoende veiligheidsmiddelen aan boord zijn en dat de bemanning is getraind in het gebruik daarvan.

De werkgever is verantwoordelijk voor:

  • het algemeen beleid gericht op optimale arbeidsomstandigheden;
  • het verstrekken van voorlichting aan de opvarenden;
  • het treffen van specifieke maatregelen om risico’s weg te nemen of te beperken.
  • De opvarenden (de werknemers) zijn verantwoordelijk voor het naleven van de maatregelen van de werkgever.

In het geval van calamiteiten dient men adequaat te handelen om de gevolgen van een ongeval zoveel mogelijk te beperken. Het is daarom zaak om zoveel als mogelijk van te voren in kaart te brengen hoe te reageren en te handelen in het geval van calamiteiten.

Dit soort zaken worden beschreven op basis van de zogenaamde Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E). Een logisch gevolg van een Risico Inventarisatie en Evaluatie is het opzetten van een scheepsbedrijfs-noodplan waarin is opgenomen hoe te handelen in het geval van calamiteiten en wat de taken van de bedrijfshulpverleners hierin is. In dit document worden aanwijzingen gegeven over het opzetten van de bedrijfshulpverlening.

In de Rijn-, Binnen- en Kustvaart kan men  calamiteiten die kunnen voorkomen indelen in de volgende gebeurtenissen:

  • brand aan boord;
  • gevaren ontstaan door de lading explosiegevaar, stabiliteitsverlies; ontsnappen van gevaarlijke stoffen);
  • lek stoten en kapseizen;
  • (gevaar voor) aanvaring;
  • overboord raken van een opvarende;
  • een bedreigende situatie vanuit de omgeving.

De wet stelt een RI&E voor iedere bedrijf waarin werknemers werkzaam zijn verplicht. Binnenvaartondernemingen moeten een RI&E uitvoeren en een bijbehorend plan van aanpak opstellen. Een onderdeel van een RI&E is het benoemen van de restrisico’s. Bij restrisico’s moet men denken aan risico’s die niet (volledig) zijn uit te sluiten door het nemen van (Arbo)maatregelen. Hierbij kan men denken aan:

  • risico’s van natuurlijke aard(Force majeur) zoals blikseminslag, storm;

risico’s van technische aard zoals:

  • uitvallen van de hoofdstroomvoorziening, brand en explosie;
  • blootstelling aan gevaarlijke stoffen;
  • risico’s van sociale aard zoals stremming als gevolg van stakingen of een afsluiting van een havengebied door verhoogde terreur dreiging;
  • risico’s van externe aard als verdrinking;
  • omvallen van havenkraan op het schip;

Risico’s van medische aard zoals:

  • onwel worden;
  • beroerte;
  • hartinfarct.

Andere gevaren die aan boord van een schip aanwezig kunnen zijn:

  • niet zichtbare obstakels of openingen bij grote rookontwikkeling;
  • het ontbreken van de mogelijkheid om (snel) van boord te gaan (extreme hellingshoek bij slagzij waardoor de bijboot niet kan worden vrij gezet);
  • onderkoeling of verdrinking bij te water geraken;
  • stoffen die vrijkomen uit blusmiddelen;
  • reacties van stoffen met elkaar of met de blusstof;
  • gevaren die voortkomen uit de aard van de vervoerde stoffen;
  • een veelvoud aan nationaliteiten en miscommunicatie.

Gevaren kunnen ook ontstaan na een calamiteit in de vorm van gevolgschade. Dit kan voortkomen uit:

  • elektrocutie door open elektrische leidingen;
  • vergiftiging door hoge concentraties achtergebleven stoffen;
  • verstikking door verdrijving van zuurstof bij gebruik van bepaalde blusmiddelen;
  • verbranding door hittegeleiding van staal;
  • hernieuwd explosiegevaar door te vroeg toe laten van omgevingslucht;
  • te vroeg terugkeren van personen naar een ontruimde maar nog niet veilige ruimte.

De cursus BHV voor de Rijn-, Binnen- en Kustvaart is gericht op bedrijfshulpverlening aan boord van een schip. Zo wordt in de cursus nadrukkelijk aandacht besteed aan onder andere de specifieke risico’s aan boord van schepen, het alarmeren aan boord en het omgaan met drenkelingen.

Om te beoordelen of de cursist beschikt over het beoogde niveau van kennis en vaardigheden, dient deze een theoretisch en praktisch examen af te leggen. Na het volledige examen met goed gevolg te hebben afgelegd, ontvangt de kandidaat het NIKTA ISO 17024 persoonscertificaat ‘Bedrijfshulpverlener voor de Rijn-, Binnen- en Kustvaart’.

Door accreditatie van certificatie-instelling NIKTA op basis van de norm ISO 17024, beschikt de certificaathouder over een kwalificerend document dat internationaal wordt geaccepteerd.

Het persoonscertificaat is een jaar geldig. Aan het einde van de geldigheidsperiode van het certificaat, dient de certificaathouder opnieuw een theorie- en praktijkexamen met voldoende resultaat af te leggen. Hiermee toont hij aan op de hoogte te zijn gebleven van de ontwikkelingen in zijn vakgebied.
Na te zijn geslaagd voor dit examen, ontvangt de certificaathouder wederom een persoonscertificaat voor bepaalde tijd (1 jaar).

 Meer weten neem contact met ons op via e-mail of contactformulier.